Het leeuwendeel

Het leeuwendeel betekent zoveel als het grootste deel. In de spreektaal wordt dit spreekwoord tegenwoordig niet meer zoveel gebezigd, maar de meeste mensen zullen het wel eens hebben gehoord en zullen wel weten wat het betekent. Maar waarom valt van alle dieren nu juist de leeuw de eer toe om het grootste gedeelte ergens van toebedeeld te krijgen? Er zijn andere dieren die meer voedsel per dag eten dan de leeuw, en ook andere dieren die net zo hoog in de voedselketen staan. De verklaring voor dit spreekwoord moet dan ook niet gezocht worden in de logica, maar – wederom – in een sprookje. Een sprookje dat dit maal afkomstig is uit een bundel van verhalen opgetekend door de Romeinse Phaedrus, een dichter uit de 1e eeuw na Christus. Het fabeltje is hoogstwaarschijnlijk ontleend aan de Griekse dichter Aesopos, die enkele eeuwen voor de geboorte van Christus leefde.

Zoals veel sprookjes gaat ook dit sprookje over een groep dieren. Een leeuw, een koe, een geit en een kip gingen gezamenlijk op zoek naar eten. Het duurde niet al te lang voordat de leeuw een hert gevangen had. Maar toen de leeuw het eten in vier delen had gedeeld, pakte hij het eerste deel zelf, met de woorden “Ik neem het eerste deel, omdat ik leeuw heet”. De leeuw vervolgde: “Het tweede deel zullen jullie mij toedelen, omdat ik sterk ben. Dan omdat ik meer waard ben, zal mij het derde deel toekomen”. En onder de smachtende ogen van de andere dieren pakte hij ook het laatste deel met de woorden “en iemand zal iets ergs overkomen, als diegene het vierde deel aan zal raken.”

Zo kwam het, dat de leeuw zich alle delen had toegeëigend, en daarmee het spreekwoordelijke leeuwendeel had verkregen. In wezen bevat het spreekwoord dus een zekere negatieve connotatie; het grootste deel is onrechtmatig, althans onrechtvaardig verkregen. Deze betekenis is door de jaren echter blijkbaar verdwenen, zodat het tegenwoordig nog slechts het grootste deel betekent. Of dit te wijten is aan toeval of aan een steeds meer amorele maatschappij waarin het nemen van meer dan rechtvaardig is steeds veelvoorkomender wordt, of aan iets heel anders, laat ik aan de discussie in de reacties over.

Joost mag het weten

Iedereen heeft het wel eens gezegd of horen zeggen: “Joost mag het weten”. Een spreekwoord waarmee bedoeld wordt dat een vraag die zojuist is opgeworpen in het ongewisse is en naar alle waarschijnlijkheid ook zal blijven. Degene die het spreekwoord uitspreekt heeft het vinden van het antwoord op de vraag in ieder geval niet hoog op de prioriteitenlijst staan. Maar wie is deze alwetende Joost nu eigenlijk? Waarom is Joost, en niet Henk of Pieter degene die het voorrecht toevalt alle wijsheid in pacht te hebben?

Voor deze vraag moeten we heel wat jaren terug in de tijd. De naam Joost is namelijk een verbastering van ‘Joos(je)’, welke op zijn beurt waarschijnlijk weer afkomstig is van het woord ‘dejos’, van ‘deos’, het Portugese woord voor god. Wordt met Joost dan god bedoeld? Nee, voor de precieze betekenis achter de naam moeten we naar de tijd dat Nederland nog koloniën had.

In Nederlands-Indië werden door Chinezen kaarsen gebrand ter verering van de vorst van de hel, die door hen als een god aanbeden werd. Wouter Schouten (1780) schrijft hierover in zijn boek ‘Reistogt’: “Den Schepper vreezen zij niet, wijl van Hem alles goeds komt; maar de Duivel, dien zij gemeenlijk Joosje noemen, is, zeggen zij, een machtig en geweldig vorst (…).” Van deze Joosje stamt het huidige spreekwoord naar alle waarschijnlijkheid af. Met het bovengenoemde spreekwoord wordt dus in wezen gezegd dat de duivel het mag weten.

De herkomst van het spreekwoord, en wie nu precies wordt bedoeld met ‘Joost’, is nu in ieder geval duidelijk. De reden dat het nu juist de duivel is die alles mag weten laat ik een open vraag, waarbij ik u allen uitnodig om uw ideeën hierover in een reactie hieronder te kennen te geven.