Bakkie pleur

Zoals in het artikel van vorige week aangekondigd deze week een blog over koffie, een bakkie troost of leut, het zwarte goud. Ook wel een bakkie pleur genoemd. Vrijwel iedereen drinkt het wel eens, velen zelfs regelmatig. Maar waarom is het nu eigenlijk dat koffie deze aparte bijnaam heeft gekregen?

Etymologen zijn het helaas niet eens over de oorsprong. Zowel de geografische als inhoudelijke herkomst van het ‘bakkie pleur’ is onderwerp van discussie. Waar het gaat om de stad/regio waar de uitdrukking vandaan komt kunnen we kiezen, afhankelijk van naar welke bron gekeken wordt, tussen Den Haag, Rotterdam, en – opmerkelijk genoeg – Leiden. Deze discussie laat ik hier kortheidshalve achterwege – de geïnteresseerden kunnen uiteraard verder lezen bij de genoemde bronnen – en ik duik in plaats daarvan in de theorieën aangaande de inhoudelijke herkomst.

De naar mijn mening minst waarschijnlijke uitleg van de bijnaam vertelt het verhaal van koffie die ‘gepleurd’ wordt. Van de zakken met bonen, tot aan het kopje zwarte drab op de koffietafel, wordt het goedje gepleurd. En vandaar, zo wil deze uitleg ons doen geloven, noemen wij het een bakkie pleur.

Een andere, al enigszins geloofwaardiger uitleg, zoekt zijn heil in de herkomst van zovele woorden die wij tegenwoordig bezigen: de Franse taal. In wezen is de reden dat het een bakkie pleur wordt genoemd precies dezelfde als waarom koffie soms wordt aangeduid als een bakkie troost: na een lange dag of een zware nacht biedt een sloot cafeïne enige soelaas in wat soms toch wel een treurig leven kan lijken. Maar in plaats van het redelijk makkelijk de begrijpen ‘troost’, is ‘pleur’ in deze context afgeleid van het Franse ‘pleurer’ (voor de francofoben onder ons: pleurer betekent huilen).

Hoe mooi deze vorige uitleg ook moge zijn, ik zet mijn geld in op de uitleg die ik zowel het waarschijnlijkste als het leukste vind. Een uitleg die zich baseert op een mooi (oud)Hollands gebruik. In vroeger tijden, en tegenwoordig in sommige kringen nog steeds, is het zeer gebruikelijk om een kennis of vriend die op bezoek is een kopje koffie voor te schotelen wanneer het bezoek ten einde loopt. Voeg daarbij dat weggaan in bepaalde milieus synoniem is voor ‘oppleuren’, en het kopje koffie ontstaat als onuitgesproken gebaar om ‘op te pleuren’. Niet lang hoeft het dan te duren voordat deze combinatie is verworden tot een ‘bakkie en nou oppleuren’, ‘bakkie oppleuren’ en tenslotte ‘bakkie pleur’.

Bedenk uzelf de volgende keer wanneer u een gast een kopje koffie aanbied of u het presenteert als een bakkie troost, een bakkie pleur, of gewoon een kopje koffie.

Aangeschoten zijn

Met het oog op het op handen zijnde einde van de zomervakantie – en het daarmee gepaard gaande begin van een nieuw collegejaar – leek het mij toepasselijk een veelvoorkomende staat van bewustzijn waarin (zeker beginnende) studenten zich bevinden als onderwerp voor een nieuw artikel te nemen. Iedereen zal ongetwijfeld weten wat de term ‘aangeschoten zijn’ betekent, menigeen zal het zelfs met enige regelmaat in gesprekken gebruiken, of er zelfs (geruime) ervaring mee hebben. Wat echter de herkomst van het gezegde eigenlijk is, waar de term vandaan komt, wist zelfs ik niet totdat ik het kortgeleden besloot te achterhalen.

Wanneer iemand aangeschoten is betekent dit dat diegene een borreltje opheeft, een beetje teut is, of in studententaal half lam (Leids) of half kaal (Delfts) is. Anders gezegd heeft diegene enkele alcoholische versnaperingen genuttigd en daardoor niet meer ten volle de macht over zichzelf, de spraak en de bewegingen.

Voor een andere situatie waarin aangeschoten zijn zorgt voor het verliezen van controle over het lichaam kan worden gekeken naar de jacht. Een kogel kan een dier natuurlijk doden, maar de mogelijkheid bestaat ook dat het dier slechts is ‘aangeschoten’. Het dier is dan geraakt maar slechts zodanig gewond dat het nog wel weg kan rennen, zij het dat dit op een manier is die laat zien dat het dier geen volledige controle meer heeft over lichaam en ledematen. Deze jachtterm is door de jaren heen een synoniem geworden voor het licht onder de invloed zijn van alcoholische drank. Dit mogelijk doordat jagers de stuntelige capriolen van beschonken mensen vonden lijken op de stuiptrekkingen van aangeschoten wild.

De volgende keer dat u een student de kroeg uit ziet komen kunt u dus even kijken of deze enige overeenkomst vertoont met een door een kogel geschampt hert(je) of een in de poot geraakte beer. Mocht dit niet zo zijn is de student mogelijk nog niet aangeschoten, of juist daarvoorbij en daarom al ladderzat te noemen.

In de hoop dat dit artikel enig licht geworpen heeft op de nachtelijk over straat slenterende jeugdigen sluit ik af met de aankondiging dat op deze plaats volgende week een artikel zal worden geplaatst over de oppeppende drank die menig student de volgende ochtend soelaas kan bieden: het kopje koffie, ofwel het ‘bakkie pleur’.

Ergens geen doekjes om winden

Wanneer iemand ergens geen doekjes om windt wil dit zeggen dat diegene iets niet verbergt, zegt waar het op staat. In sommige gevallen kan het ook synoniem zijn voor met de deur in huis vallen of geen blad voor de mond nemen. Toen ik aan dit spreekwoord dacht, verwachte ik dat de betekenis algemeen bekend was en door menigeen met regelmaat werd gebruikt. Na navraag binnen mijn directe sociale omgeving bleken daar nog best een paar personen te zijn die niet van dit spreekwoord op de hoogte waren.

Maar zelfs onder diegenen die dit spreekwoord wel kennen, zullen zich weinigen bevinden die de herkomst van het spreekwoord kunnen vertellen. Dus waar komt dit spreekwoord vandaan? Waarom is het eigenlijk dat wij kleine stukjes stof nodig hebben om een recht-voor-zijn-raapmentaliteit te omschrijven?

Om die vraag te beantwoorden moeten we onszelf afvragen waarom men vroeger ergens (in de letterlijke zin van het woord) doekjes om zou winden, of binden. Meestal zal dit zijn gedaan om een wond af te dekken. En in dit afdekken schuilt het antwoord op de aan het einde van de vorige alinea geponeerde vragen; een persoon die ergens geen doekjes om windt verhult de wond niet maar laat de waarheid onaangetast aan de wereld zien.

Vraag u dus af, de volgende keer wanneer u zichzelf verwondt bij het schillen van een appeltje, “ben ik iemand die er doekjes om windt?”

De kaars brandt aan twee einden

Een mooi spreekwoord welke laatst in een reactie naar voren werd gebracht door degene die ook mijn eerste artikel op deze site heeft geïnspireerd; “de kaars brandt aan twee einden”. Het wordt ook wel gebruikt als “zijn/haar kaars brandt aan twee einden”. Ikzelf heb het spreekwoord nog nooit horen of zien gebruiken, maar met enig logisch nadenken was de betekenis nog wel te achterhalen. Na wat zoekwerk op het wereldwijde web werd dat vermoeden bevestigd: het spreekwoord duidt op een persoon die zo hard werkt, intensief bezig is, straalt, dat zijn of haar vlam snel zal zijn uitgedoofd. Dit laatste hoeft overigens niet de duiden op de levensvlam die uit gaat, maar zal meestal zien op een ineenstorting van de persoon, hetgeen in de huidige maatschappij meestal wordt aangeduid als een burn-out.

Hoewel het erg lastig is om een kaars aan twee einden te laten branden, waaruit ik concludeer dat dit spreekwoord ongetwijfeld niet uit een letterlijke situatie is ontstaan maar slechts een figuurlijke betekenis heeft, vind ik dit toch een erg mooi spreekwoord. Niet slechts omdat de analogie tussen mens en kaars een interessante vergelijking is met het oog op de vlam die leven geeft aan het object en meebrengt dat beiden een levensduur hebben, maar zeker ook omdat het spreekwoord nu meer dan ooit relevantie heeft.

De afgelopen jaren is er meer uitval en ziekteverzuim dan ooit door burn-outs. Ruim 14 procent van de werknemers in Nederland had in 2014 burn-outklachten (bron: CBS/TNO). Juist op een moment dat een op de zeven werkende mensen in Nederland ergens mee te kampen heeft, lijkt het mij dat er noodzaak is voor een gepaste wijze om zulks te benoemen of te omschrijven. Spreekwoorden als de onderhavige zijn daarin een belangrijk onderdeel. Misschien kan het inzichtelijk maken van het probleem door middel van een goede analogie wel helpen om mensen zich bewust te laten worden van hun situatie.

Denkt u dat een spreekwoord als deze, waarmee een naam aan het spreekwoordelijk beestje gegeven kan worden, nodig is in de huidige tijd van een steeds erger wordende burn-outepidemie, of werken spreekwoorden slechts de begrijpelijkheid van de gesproken taal tegen? Of doe ik nu de weldenkende lezer tekort door de drogreden van het vals dilemma te gebruiken? Geef vooral uw mening in de reacties!

Het leeuwendeel

Het leeuwendeel betekent zoveel als het grootste deel. In de spreektaal wordt dit spreekwoord tegenwoordig niet meer zoveel gebezigd, maar de meeste mensen zullen het wel eens hebben gehoord en zullen wel weten wat het betekent. Maar waarom valt van alle dieren nu juist de leeuw de eer toe om het grootste gedeelte ergens van toebedeeld te krijgen? Er zijn andere dieren die meer voedsel per dag eten dan de leeuw, en ook andere dieren die net zo hoog in de voedselketen staan. De verklaring voor dit spreekwoord moet dan ook niet gezocht worden in de logica, maar – wederom – in een sprookje. Een sprookje dat dit maal afkomstig is uit een bundel van verhalen opgetekend door de Romeinse Phaedrus, een dichter uit de 1e eeuw na Christus. Het fabeltje is hoogstwaarschijnlijk ontleend aan de Griekse dichter Aesopos, die enkele eeuwen voor de geboorte van Christus leefde.

Zoals veel sprookjes gaat ook dit sprookje over een groep dieren. Een leeuw, een koe, een geit en een kip gingen gezamenlijk op zoek naar eten. Het duurde niet al te lang voordat de leeuw een hert gevangen had. Maar toen de leeuw het eten in vier delen had gedeeld, pakte hij het eerste deel zelf, met de woorden “Ik neem het eerste deel, omdat ik leeuw heet”. De leeuw vervolgde: “Het tweede deel zullen jullie mij toedelen, omdat ik sterk ben. Dan omdat ik meer waard ben, zal mij het derde deel toekomen”. En onder de smachtende ogen van de andere dieren pakte hij ook het laatste deel met de woorden “en iemand zal iets ergs overkomen, als diegene het vierde deel aan zal raken.”

Zo kwam het, dat de leeuw zich alle delen had toegeëigend, en daarmee het spreekwoordelijke leeuwendeel had verkregen. In wezen bevat het spreekwoord dus een zekere negatieve connotatie; het grootste deel is onrechtmatig, althans onrechtvaardig verkregen. Deze betekenis is door de jaren echter blijkbaar verdwenen, zodat het tegenwoordig nog slechts het grootste deel betekent. Of dit te wijten is aan toeval of aan een steeds meer amorele maatschappij waarin het nemen van meer dan rechtvaardig is steeds veelvoorkomender wordt, of aan iets heel anders, laat ik aan de discussie in de reacties over.

Het hemd is nader dan de rok

Een hemd, zouden er veel mensen zijn die dat tegenwoordig nog onder een rok dragen? Vroeger wel. Kennelijk zo veel dat er een spreekwoord op is gebaseerd. Want wat betekent dit – goeddeels in onbruik geraakte – spreekwoord eigenlijk?

Wat wilt u liever dat schoon is en lekker zit, een onderbroek of een overjas? Wat wast u vaker? Dit is de kern van het ontstaan van het hier ter bespreking voorliggende spreekwoord. Natuurlijk antwoordt u allemaal dat het kledingstuk het dichtst bij uw lijf de hoogste prioriteit heeft als het aankomt op schoonheid, hygiëne en comfort. Hetzelfde antwoordden de Nederlanders van vroeger tijden, tijden toen men nog rondliep in hemd en rok. Het hemd, nader aan het lijf, werd de personificatie van de belangen die dichtbij iemand stonden – de belangen van familie en vrienden – terwijl de rok, verder van het lijf, werd gebruikt als vattende term voor de belangen van anderen.

De situaties waarin het spreekwoord gebruikt wordt zijn overwegend negatief van aard. Veelal is het spreekwoord op zijn plaats wanneer woorden als ‘vriendjespolitiek’, ‘favoritisme’ of ‘nepotisme’ in het gesprek niet zouden misstaan; allemaal situaties waarin een belang dat dichterbij staat – onrechtmatig – wordt verkozen boven andere belangen.

Zou er een reden zijn dat het spreekwoord in onbruik is geraakt? Buiten het feit dat Oudhollandse spreekwoorden tegenwoordig over het algemeen steeds minder gebruikt worden, zou betoogd kunnen worden dat de familiebanden in de huidige samenleving een stuk minder hecht zijn. De daarmee gemoeide belangen zouden daarmee een stuk minder dichtbij staan dan een paar honderd jaar geleden.

Wat denkt u? Is het hierboven besproken spreekwoord tegenwoordig zo weinig te horen omdat er simpelweg minder behoefte is aan een gevatte manier om kenbaarheid te geven aan een verkeerde weging van belangen door een ander, of omdat men nu eenmaal geen rokken meer over hemden draagt?

Appels met peren vergelijken

Het welbekende Nederlandse spreekwoord “dat is als appels met peren vergelijken” wordt in het dagelijks leven te pas en te onpas gebruikt om een vergelijking van een ander – waarin twee zaken vergeleken worden – als loos argument van de hand te doen. Een blik op wat er met deze uitdrukking eigenlijk werkelijk wordt gezegd, doet al snel beseffen dat dit in wezen een groot compliment is voor de vergelijking in kwestie; appels en peren zijn heel erg goed om met elkaar te vergelijken!

Als we aannemen dat het vergelijken van bepaalde zaken goed is en thuishoort in een rationele discussie, kunnen we onszelf de vraag stellen wat twee zaken voor eigenschappen zouden moeten bezitten om goed met elkaar vergeleken te kunnen worden. Het is makkelijk voor te stellen dat het goed kan zijn om twee landen met elkaar te vergelijken om te beoordelen waar men beter met mensenrechten omgaat, twee cruesli-merken met elkaar te vergelijken om a.d.h.v. prijs en smaak te beoordelen welke beter is om te kopen, en om middels een vergelijking tussen de behoeften privacy en veiligheid tot een goed regulatoire balans te komen.

Voor het vergelijken van bepaalde zaken zal dus belangrijk zijn dat ze tot eenzelfde categorie behoren, en voor producten (bijvoorbeeld) dat ze in dezelfde behoefte voorzien. Appels en peren – welke beide behoren tot de categorie fruit en welke beide voorzien in de behoefte aan voeding (meer specifiek de behoefte aan een relatief gezond tussendoortje) – zijn dus bij uitstek twee zaken om met elkaar te vergelijken.
Praktisch elke vergelijking die tussen de twee te maken is, is relevant. Denk aan prijs, voedingswaarde, ziektebestendigheid, meeneembaarheid, beschikbaarheid, verhandelde hoeveelheid enzoverder. Elk van de verschillen tussen deze eigenschappen van de twee kunnen consumenten helpen een keuze te maken in de supermarkt, afnemers en aanbieders helpen (strategische) economische keuzes te maken, simpelweg relevante informatie verschaffen aan marktpartijen.

Het gaat fout wanneer twee zaken worden vergeleken die niet tot dezelfde categorie behoren, en die niet in dezelfde behoefte voorzien. Denk aan een vergelijking tussen appels en democratie, of een vergelijking tussen grammatica en peren. Nu zijn dit zulke buitengewoon verschillende, evident onvergelijkbare zaken, dat het in een discussie geen ontkrachting zal behoeven. Maar dat is nu juist mijn punt; de omstandigheid dat tussen twee zaken verschillen bestaan zorgt er niet voor dat ze niet vergeleken mogen worden, maar juist dat ze wel vergeleken kunnen worden – mits ze tot eenzelfde categorie behoren en eenzelfde nut/doel/behoeftevoorziening kennen. Dit betekent dat appels en peren, net als banken en sofa’s, aktetassen en schoudertassen, liefde en vriendschap, wiskunde en grammatica, heel goed zijn te vergelijken.

Wanneer in het vervolg de wens zich voordoet om de vergelijking van een ander te ontkrachten, grijp dan niet naar de hierboven besproken appels-en-peren, maar ga in op de eigenschappen van de twee vergeleken zaken die niet tot dezelfde categorie behoren of in dezelfde behoefte voorzien. Daarbij kun je dan desnoods nog gebruik maken van het welbekende spreekwoord, maar dan enigszins aangepast: “dat is als appels met democratie vergelijken”.