Flikker

Flikker. Het woord dat net zoveel betekenissen kan hebben als de gebruiker creativiteit. Iemand op z’n flikker geven; het maakt me geen flikker uit; dat is een vuile flikker; wat zorgt die lamp voor een irritant geflikker; slechts een greep uit de veelheid aan manieren waarop het woord in het dagelijks leven wel wordt gebezigd. Maar waar komt dat woord, dat wordt gebruikt in zovele betekenissen, nu eigenlijk vandaan?

Wanneer flikker wordt gebruikt in de zin van ‘het’ iemand daarop geven, dient flikker gelezen te worden als hoofd, of ander gevoelig deel van het lichaam. Hetgeen dan aan iemand wordt gegeven – wat meestal uit de zin wordt gelaten – moet dan verstaan worden als een klap of een schop. Denk hierbij ook aan het scala aan andere woorden dat in deze zin in de plaats van flikker gebruikt kan worden, zoals kanus, lazer of donder. De herkomst van flikker in deze betekenis is niet duidelijk, maar zelf vind ik het waarschijnlijk dat dit later is ontstaan dan de hieronder verder beschreven betekenis die leidde tot de afgeleide vorm ‘sodeflikker’.

Flikker in de zin van homoseksueel geaard man, wanneer het als negatieve bejegening wel wordt gebruikt in de zinsnede ‘vuile flikker’, heeft een hele andere achtergrond. Hoewel er over de herkomst geen volledige duidelijkheid is, komt in meerdere bronnen naar voren dat een plausibele verklaring voor het woord te vinden is in het Scandinavische woord voor meisje; ‘Flicka’, dat vroeger gebruikt werd als aanduiding voor dame van de lichte zeden. Meisjesachtige mannen – vaak sterke associaties met seksuele voorkeur voor hetzelfde geslacht oproepend – werden zo in wezen, zij het in een andere taal, simpelweg een meisje genoemd. In dezelfde zin zien we in de Nederlandse taal het gebruik van een woord als ‘nicht’ voor de aanduiding van een (mannelijke) homoseksueel. Flikker in deze zin kent sterke verwantschap met het woord ‘mietje’, dat tegenwoordig meer gebruikt wordt als scheldwoord waarmee iemand wordt weggezet als schuchter, bang of zelfs laf. Deze term, die oorspronkelijk ook als scheldwoord voor homoseksueel geaarde mannen had te gelden en waarover meer te lezen is in het artikel daarover, is een afgeleide van ‘sodemieter’. Flikker is vervolgens tevens in gebruik geraakt als ‘sodeflikker’, wat net als ‘sodemieter’ een woord is geworden voor lichaam in brede zin.

Mietje

Mietje, ook wel lafaard of bangerik, het lijkt op het eerste oog zo’n vanzelfsprekend woord waar velen waarschijnlijk nog nooit langer dan enkele momenten bij hebben stilgestaan. Maar weet u waar het woord vandaan komt? Wat het woord nu eigenlijk echt betekent? Ik was in ieder geval vrij verrast toen ik er na enig zoekwerk achter kwam.

Onze taal is doorspekt met (spreek)woorden en gezegdes die hun oorsprong kennen in de Bijbel. Weinigen zullen denk ik hebben gegokt dat ook het woord mietje in deze categorie valt. Het onderwerp van dit artikel valt echter toch terug te voeren op het zogeheten woord van God, en wel specifiek hoofdstuk 18 en 19 van het boek Genesis. Het gaat hier om de stad Sodom, waarvan de inwoners wel Sodomieten werden genoemd, en waarop in genoemd vers enige kritiek wordt geleverd vanwege beweerde onzedelijke activiteiten die bij hen gebruikelijk zouden zijn.

Hieruit is het woord ‘sodemieter’ ontstaan, wat we ook vandaag nog wel gebruiken, zij het in de verlening ‘(op)sodemieteren’. Met de ontstaansgeschiedenis hiervan in het achterhoofd, en het tevens hieraan ontleende woord ‘sodomie’ in gedachten, lijkt deze uitdrukking dan ook toevallig veel op de Engelse variant ‘go fuck yourself’. Het vergt vervolgens naar mijn idee weinig creativiteit om van de met ‘sodomie’ verwante ‘sodemieter’ (letterlijk iemand die sodomie bedrijft) te komen tot ‘mietje’.

Ergens geen doekjes om winden

Wanneer iemand ergens geen doekjes om windt wil dit zeggen dat diegene iets niet verbergt, zegt waar het op staat. In sommige gevallen kan het ook synoniem zijn voor met de deur in huis vallen of geen blad voor de mond nemen. Toen ik aan dit spreekwoord dacht, verwachte ik dat de betekenis algemeen bekend was en door menigeen met regelmaat werd gebruikt. Na navraag binnen mijn directe sociale omgeving bleken daar nog best een paar personen te zijn die niet van dit spreekwoord op de hoogte waren.

Maar zelfs onder diegenen die dit spreekwoord wel kennen, zullen zich weinigen bevinden die de herkomst van het spreekwoord kunnen vertellen. Dus waar komt dit spreekwoord vandaan? Waarom is het eigenlijk dat wij kleine stukjes stof nodig hebben om een recht-voor-zijn-raapmentaliteit te omschrijven?

Om die vraag te beantwoorden moeten we onszelf afvragen waarom men vroeger ergens (in de letterlijke zin van het woord) doekjes om zou winden, of binden. Meestal zal dit zijn gedaan om een wond af te dekken. En in dit afdekken schuilt het antwoord op de aan het einde van de vorige alinea geponeerde vragen; een persoon die ergens geen doekjes om windt verhult de wond niet maar laat de waarheid onaangetast aan de wereld zien.

Vraag u dus af, de volgende keer wanneer u zichzelf verwondt bij het schillen van een appeltje, “ben ik iemand die er doekjes om windt?”

Boontje komt om zijn loontje

In tegenstelling tot het eerder besproken spreekwoord “het hemd is nader dan de rok”, geloof ik  niet dat er veel Nederlanders zijn die niet weten wat een ander bedoelt wanneer het spreekwoord “boontje komt om zijn loontje” wordt gebruikt. Maar weten wat een ander bedoelt en het verhaal kennen dat achter het spreekwoord schuil gaat zijn natuurlijk twee heel verschillende dingen.

Zoals de meeste lezers zullen weten wordt met dit spreekwoord bedoeld dat in een bepaalde situatie  een onfortuinlijk voorval het verdiende loon is voor degene die het overkomt. Maar wat kan er nu zo erg zijn geweest? Wat kan een boontje hebben gedaan dat zo verwerpelijk is dat het de personificatie is geworden van verdiend ongeluk? Om die vraag te beantwoorden moeten we terug in de tijd, naar een tijd waarin sprookjes nog werkelijkheid waren en boontjes, net als strootjes, erwtjes en kooltjes, rondliepen als mensen.

Het verhaal zoals opgetekend door Jan Vos, en later de gebroeders Grimm, gaat over een bont reisgezelschap bestaande uit een Boontje, een Erwtje, een Strootje en een brandend Kooltje (Kooltjevuur).

Zoals bij elke reis kreeg ook dit reisgezelschap met een obstakel te maken. Na een lange dag op pad te zijn geweest kwamen ze bij een water, en er was geen brug te bekennen. Onbaatzuchtig als altijd bood Strootje aan als een brug over het water te gaan liggen zodat de anderen veilig konden oversteken. Eerst liep Erwtje over Strootje heen, en bereikte zonder problemen de overkant. Ook Boontje geraakte veilig en zonder kleerscheuren over het water. Maar toen Kooltjevuur halverwege was, vatte Strootje vlam en viel in het water samen met Kooltje, die onmiddellijk doofde.

Elke vriend en reisgezel zou uiteraard verschrikt en bedroefd zijn om een dergelijk tragisch voorval, maar Boontje, veilig op de kant, moest lachen. Zo hard lachte Boontje om het leed dat zijn reisgenoten was overkomen dat zijn buik erdoor openscheurde; zijn verdiende loon.

Sommigen van u twijfelen misschien nog wat nu dat “komt om” precies betekent. Daarover kan ik gelukkig redelijk kort zijn: “komt om” betekent ongeveer zoveel als “krijgt”. Hierbij kan gedacht worden aan het zinsdeel “komt om te halen”.

Boontje, met zijn nu opengescheurde buik, had erg veel geluk dat er een kleermaker nabij was die hem wilde helpen. De buik van Boontje werd door de kleermaker dichtgemaakt met een zwarte draad; de reden dat alle bruine bonen tot aan de dag van vandaag  een zwart naadje op hun buik hebben.

 

Zie hier het sprookje zoals geschreven door Jan Vos (“Ja ik (…) naers chadt”):

_20160620_091613