Dat staat buiten kijf

Een spreekwoord dat in mijn optiek – en tot mijn grote droefenis – steeds minder wordt gebruikt: dat staat buiten kijf.

Ik denk dat menigeen het spreekwoord van vandaag niet onbekend zal voorkomen. Misschien is er een enkele lezer die zelfs wel met regelmaat de buitenkijfelijke positie van het een of ander in zijn omgeving te berde brengt. De grote vraag is in dit artikel dan ook niet wat dit spreekwoord eigenlijk betekent (dat de meeste lezers de betekenis van dit spreekwoord kennen staat namelijk buiten kijf), de vraag van vandaag is waar dit spreekwoord eigenlijk vandaan komt. Echter, voor die lezers die een korte uitleg over de betekenis als muziek in de oren klinkt: dat staat buiten kijf betekent dat iets volledig duidelijk is.

Voor de vraag wat de oorsprong is van het spreekwoord, is het voornamelijk van belang om het woord kijf te begrijpen. De andere woorden (datstaat, en buiten) komen in het hedendaagse spraakgebruik nog steeds veelvuldig voor, maar kijf is door de jaren heen blijkbaar in onbruik geraakt.

Kijf is een ander woord voor ruzie; onenigheid; discussie; of, voor deze uitleg misschien het beste: meningsverschil. Kijf komt van het oude Nederlandse werkwoord kijven of kiften. Hoewel deze woorden naar alle waarschijnlijkheid ook weinig belletjes doen rinkelen, is er een ander van deze woorden afgeleid woord dat u mogelijk wat bekender in de oren zal klinken, en dat is kibbelen.

Met “dat staat buiten kijf” zegt u dus in wezen “dat is boven alle twijfel verheven”, of indien u het iets letterlijke neemt “daar hoeven wij niet over te kibbelen”.

Dat slaat als een tang op een varken

Een partner van het kantoor waar ik nu sinds zo’n 10 maanden werkzaam ben kwam kortgeleden met een mooie suggestie, een spreekwoord dat misschien wel net zo weinig gebruikt als onbekend is: dat slaat als een tang op een varken. Hieronder zal ik beginnen met het uitleggen van de betekenis van dit spreekwoord – ik verwacht dat sommige lezers dit wel kunnen waarderen – en daarna de oorsprong onderzoeken.

Het spreekwoord dat slaat als een tang op een varken kan worden gebruikt in situaties waarin de gebruiker duidelijk wil maken dat iets niet klopt, of sterker nog: dat iets onzin is; kletspraat; nergens op slaat. Bijvoorbeeld zou het spreekwoord gebezigd kunnen worden in reactie op de stelling dat appels niet met peren vergeleken kunnen worden.

In eerste instantie zou gedacht kunnen worden dat het spreekwoord zijn oorsprong vindt in de veelgebruikte zinsnede met hetzelfde werkwoord dat slaat nergens op. In dit spreekwoord echter, slaat de tang juist wél ergens op: een varken. Waar komt het spreekwoord dan wel vandaan vraagt u? Ik zal het u zeggen.

In het spreekwoord dat slaat als een tang op een varken is het werkwoord door de jaren heen verbasterd van sluit naar slaat. Oorspronkelijk luidde het spreekwoord dan ook dat sluit als een tang op een varken, hetgeen uit moest drukken dat iets niet paste; dat het een niet op het ander aansloot. In de Dikke Van Dale zijn als varianten tevens te vinden dat sluit als een tang op een varken en dat past als een tang op een varken. Het zal voor de meeste mensen niet lastig te visualiseren zijn dat een tang niet gebruikt kan worden om een varken op te pakken, een tang sluit of past duidelijk niet om een varken. In het boek Nederlandsche spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden van F.A. Stoett worden o.a. de volgende synoniemen van het spreekwoord gegeven: “(…) dat sluyt ghelyck ses vingeren in een handtschoen; dat sluyt als een haspel op eenen vleesch-pot (…)“.

Mocht iemand in de toekomst dus bijvoorbeeld tegen u verkondigen dat de uitdrukking een bakkie pleur uit Rotterdam afkomstig is, kunt u reageren door te zeggen: Dat slaat als een tang op een varken!

Gerelateerde afbeelding

Ladderzat

Na nu al bijna zes jaar in Leiden te hebben gestudeerd leek het me toepasselijk om eens een artikel te schrijven over een typisch Leids studentenwoord. Hoewel ‘ladderzat’ tegenwoordig tot een wijdverbreid, alom bekend woord is verworden, zijn de etymologische bronnen het er vrijwel unaniem over eens dat het woord zijn oorsprong vindt in het Leidse studentenleven.

De betekenis van het woord zal – denk ik – iedereen wel kennen. Als synoniem voor lazarus, beschonken, bezopen, laveloos, of simpelweg zeer dronken, wordt het gebruikt om iemand te beschrijven die na het drinken van wat te veel alcoholische drank niet meer de volledige controle heeft over zijn of haar eigen handelen. Over het algemeen gaat dit onder andere gepaard met problemen betreffende het bewaren van het evenwicht, waardoor transport per fiets of zelfs per benenwagen lastig, of zelfs gevaarlijk, kan worden.

De oudste bron die melding maakt van de (hoogstwaarschijnlijke) oorsprong van het woord ladderzat, is het kluchtig blijspel met de naam “Het Leidsche studentenleeven”. Dit blijspel is geschreven door Jan Jacob Mauricius, een getalenteerde jongen die op zijn twaalfde in Leiden kwam studeren en op zijn zestiende promoveerde. Wanneer in het blijspel een hospes – zoals verhuursters van studentenkamers in sommige gevallen werden genoemd – het toneel op loopt met een ladder zegt zij over een “smoordronken” student: “Wat dunkt je? Om hem gemakkelyk te draagen zo weet ik geen ‘sekuurder’ raad, als dat we op deuze leêr [deze ladder, KH] dat dronken varken bonden”.

Het woord ladderzat lijkt dus te zijn ontstaan door het gebruik om benevelde Leidse studenten op een ladder te binden en zodoende, als ware het op een geïmproviseerde brancard, heelhuids thuis te kunnen brengen. Het woord ladderzat (dat in die samenstelling nog niet terugkomt in het kluchtig blijspel van Mauricius), is vervolgens terug te vinden in bronnen uit 1838 en 1962, voordat het in 1984 voor het eerst in de Grote Van Dale werd opgenomen.

Aan de lezers onder u die zich nog met enige regelmaat in de collegebanken van mijn geliefde universiteit bevinden, of in ieder geval zo nu en dan een drankje en/of een dansje wagen in de kroegjes en zaaltjes van de Sleutelstad, wil ik het volgende meegeven. Neem de volgende keer bij het uitgaan eens een ladder mee, of vraag bij de Kroeg, de Hifi, de Four Reasons of de Next eens of er een te leen is, teneinde deze aloude studententraditie weer nieuw leven in te blazen. De eerste foto van een ladderzatte student, in de oorspronkelijke zin van het woord, wordt beloond met een kratje bier (of een ladder)!

Voor dit artikel heb ik voornamelijk informatie gehaald uit een NRC artikel uit 2012, geschreven door Ewoud Sanders: https://www.nrc.nl/nieuws/2012/09/03/1145882-a886162. Deze informatie heb ik vervolgens gecheckt op andere websites en aangevuld met andere informatie van (voornamelijk etymologische) websites.

Flikker

Flikker. Het woord dat net zoveel betekenissen kan hebben als de gebruiker creativiteit. Iemand op z’n flikker geven; het maakt me geen flikker uit; dat is een vuile flikker; wat zorgt die lamp voor een irritant geflikker; slechts een greep uit de veelheid aan manieren waarop het woord in het dagelijks leven wel wordt gebezigd. Maar waar komt dat woord, dat wordt gebruikt in zovele betekenissen, nu eigenlijk vandaan?

Wanneer flikker wordt gebruikt in de zin van ‘het’ iemand daarop geven, dient flikker gelezen te worden als hoofd, of ander gevoelig deel van het lichaam. Hetgeen dan aan iemand wordt gegeven – wat meestal uit de zin wordt gelaten – moet dan verstaan worden als een klap of een schop. Denk hierbij ook aan het scala aan andere woorden dat in deze zin in de plaats van flikker gebruikt kan worden, zoals kanus, lazer of donder. De herkomst van flikker in deze betekenis is niet duidelijk, maar zelf vind ik het waarschijnlijk dat dit later is ontstaan dan de hieronder verder beschreven betekenis die leidde tot de afgeleide vorm ‘sodeflikker’.

Flikker in de zin van homoseksueel geaard man, wanneer het als negatieve bejegening wel wordt gebruikt in de zinsnede ‘vuile flikker’, heeft een hele andere achtergrond. Hoewel er over de herkomst geen volledige duidelijkheid is, komt in meerdere bronnen naar voren dat een plausibele verklaring voor het woord te vinden is in het Scandinavische woord voor meisje; ‘Flicka’, dat vroeger gebruikt werd als aanduiding voor dame van de lichte zeden. Meisjesachtige mannen – vaak sterke associaties met seksuele voorkeur voor hetzelfde geslacht oproepend – werden zo in wezen, zij het in een andere taal, simpelweg een meisje genoemd. In dezelfde zin zien we in de Nederlandse taal het gebruik van een woord als ‘nicht’ voor de aanduiding van een (mannelijke) homoseksueel. Flikker in deze zin kent sterke verwantschap met het woord ‘mietje’, dat tegenwoordig meer gebruikt wordt als scheldwoord waarmee iemand wordt weggezet als schuchter, bang of zelfs laf. Deze term, die oorspronkelijk ook als scheldwoord voor homoseksueel geaarde mannen had te gelden en waarover meer te lezen is in het artikel daarover, is een afgeleide van ‘sodemieter’. Flikker is vervolgens tevens in gebruik geraakt als ‘sodeflikker’, wat net als ‘sodemieter’ een woord is geworden voor lichaam in brede zin.

Mietje

Mietje, ook wel lafaard of bangerik, het lijkt op het eerste oog zo’n vanzelfsprekend woord waar velen waarschijnlijk nog nooit langer dan enkele momenten bij hebben stilgestaan. Maar weet u waar het woord vandaan komt? Wat het woord nu eigenlijk echt betekent? Ik was in ieder geval vrij verrast toen ik er na enig zoekwerk achter kwam.

Onze taal is doorspekt met (spreek)woorden en gezegdes die hun oorsprong kennen in de Bijbel. Weinigen zullen denk ik hebben gegokt dat ook het woord mietje in deze categorie valt. Het onderwerp van dit artikel valt echter toch terug te voeren op het zogeheten woord van God, en wel specifiek hoofdstuk 18 en 19 van het boek Genesis. Het gaat hier om de stad Sodom, waarvan de inwoners wel Sodomieten werden genoemd, en waarop in genoemd vers enige kritiek wordt geleverd vanwege beweerde onzedelijke activiteiten die bij hen gebruikelijk zouden zijn.

Hieruit is het woord ‘sodemieter’ ontstaan, wat we ook vandaag nog wel gebruiken, zij het in de verlening ‘(op)sodemieteren’. Met de ontstaansgeschiedenis hiervan in het achterhoofd, en het tevens hieraan ontleende woord ‘sodomie’ in gedachten, lijkt deze uitdrukking dan ook toevallig veel op de Engelse variant ‘go fuck yourself’. Het vergt vervolgens naar mijn idee weinig creativiteit om van de met ‘sodomie’ verwante ‘sodemieter’ (letterlijk iemand die sodomie bedrijft) te komen tot ‘mietje’.

(Niet) bij de pakken neerzitten

Bij de pakken neerzitten is een activiteit die ik tijdens mijn huidige stage toch zo min mogelijk tracht te etaleren. Dit zelfs terwijl ik, nu in mijn tweede week, soms op vraagstukken stuit waarbij het lastig is een duidelijk antwoord op de geponeerde vraag te formuleren. Het bij de pakken neerzitten betekent zoveel als het opgeven, stoppen na tegenslag, laten varen, afhaken, of wat uitgebreider geformuleerd het moedeloos raken en daardoor alles maar op zijn beloop laten. Deze uitdrukking en de herkomst ervan zijn het onderwerp van het artikel van vandaag.

Zoals wel meer uitdrukkingen, spreekwoorden en gezegdes die wij heden ten dage in onze – o zo veelzijdige – taal tegenkomen, heeft ook bij de pakken neerzitten een herkomst in de bijbel. In het boek Genesis, hoofdstuk 49, gaat het over Jacob die zijn zonen toespreekt. Als zesde, in vers 14 en 15, is Jabob’s zoon Issaschar aan de beurt:

“14. Issaschar is een sterk gebeende ezel, nederliggende tussen twee pakken. 15. Toen hij de rust zag, dat zij goed was, en het land, dat het lustig was, zo boog hij zijn schouder om te dragen, en was dienende onder cijns”.

De uitdrukking, zo moge duidelijk zijn, komt voort uit vers 14. Hierbij is van belang dat pakken – zo kunnen we vinden in de herkomstuitleg van onzetaal.nl en de toelichting op het woord in het Woordenboek der Nederlandsche Taal – gelezen dient te worden als een last die aan een mens of dier wordt opgelegd. Vergelijk hiertoe ook bijvoorbeeld de uitdrukking dat is een pak van mijn hart. Vanuit het oorspronkelijke gebruik had bij de pakken neerzitten dus een sterkere focus op het niet verder kunnen vanwege de te dragen zware last en een grote vermoeidheid. Door de jaren heen is de uitdrukking steeds meer verschoven van bij de pakken neerzitten naar niet bij de pakken neerzitten.

Hoewel ik geen ezel ben zal ik proberen niet bij de pakken neer te gaan zitten, me niet te laten vermoeien door alledaagse beslommeringen en voor u elke maandag een artikel online te zetten. Tot volgende week!

Gutenberg-biijbel

Gymnasium, Academie, Lyceum

Vandaag ben ik begonnen aan mijn student-stage bij de Rotterdamse vestiging van Houthoff Buruma. Komende twee maanden zal ik achtereenvolgens een maand bij de afdeling Dispute Resolution en Vastgoed meelopen. Hier verwacht ik veel ervaring op te doen, en zo mogelijk met deze (mijn derde) studentstage een nog beter beeld te krijgen van de advocatuur. Zonder enige twijfel zal ik gedurende de komende maanden ook een hoop nieuwe dingen leren en beter worden in wat ik al kan. Dit leidt het onderwerp van het artikel van vandaag in: plaatsen waar geleerd wordt en de – wanneer de herkomst duidelijk wordt – enigszins opmerkelijke benamingen die wij hiervoor kennen. Meer specifiek zal ik ingaan op de herkomst van de woorden academie, gymnasium en lyceum.

In het huidige Nederlandse taalgebruik wordt academie wel gebruikt als generieke term voor een plaats waar geleerd en onderwezen wordt. Gymnasium duidt op een school waar voorbereidend wetenschappelijk wordt onderwezen én Latijn wordt onderwezen. Lyceum duidt volgens sommigen op VWO waar Grieks en Latijn keuzevakken zijn, maar over het algemeen wordt de term gebruikt als koepelbegrip voor HAVO, VWO Atheneum (VWO plus Grieks) en Gymnasium.

Opmerkelijk is dat de minst overkoepelende van deze termen in het Nederlands, Gymnasium, juist de meest overkoepelende is wanneer naar de taal van herkomst, het Grieks, wordt gekeken. In het oude Griekenland waren de eerste onderwijsinstellingen de plaatsen waar de sportkunsten werden beoefend en geïnstrueerd. Deze plaatsen kregen een naam die verwees naar het meest kenmerkende, opvallendste, aan deze plekken; iedereen was er naakt. Gymnos, het Griekse woord voor naakt, werd dus de aanduiding voor plaatsen waar de sport werd beoefend en onderwezen; het Gymnasion was geboren. Door de jaren heen is in de Griekse samenleving het woord Gymnasion de naam geworden voor plaatsen waar geleerd werd, en na enige tijd is zelfs het karakteristieke naakt‑zijn losgelaten op de plekken waar niet sport maar bijvoorbeeld filosofie werd beoefend.

In het oude Griekenland waren er vele Gymnasions, maar slechts twee zal ik hier de revue laten passeren: de Akademeia en het Lykeion. Respectievelijk waren dit het Gymnasion waar Plato en Aristoteles hun onderricht te berde brachten. De Akademeia van Plato werd door hem rond 326 v. Chr. gesticht. Het Gymnasion werd genoemd naar de plaats waar het lag; op terrein van een zeker Akademus. Toen Plato in 347 v. Chr. stierf verliet een van zijn leerlingen het Gymnasion om zijn eigen theorieën te gaan onderwijzen in een nieuw op te richten Gymnasion. Deze leerling heette Aristoteles. Het nieuwe Gymnasion werd gebouwd in de buurt van een tempel voor Apollo Lykios (de wolvengod) en kreeg daarom de naam Lykeion.

Kort samengevat ligt de etymologische herkomst van Gymnasium bij naakt sporten, van Academie bij een Griekse grondbezitter, en van Lyceum bij de wolf. Dat zal vast tot een interessante middelbare schoolkeuze voor de kinderen leiden!

Je snor drukken

Vaste lezers van dit blog is ongetwijfeld opgevallen, ik hoop stiekem met enige teleurstelling, dat ik de afgelopen 38 weken geen artikel online heb gezet. Aan de lezers die hierdoor onverhoopt in een onverdiende staat van wanhoop en teleurstelling terecht zijn gekomen bied ik hierbij mijn welgemeende excuses aan. Verder wil ik graag iedereen die door de radiostilte op het blog in onzekerheid over mijn taalkundige welzijn is komen te verkeren, met dit artikel tonen dat mijn passie voor etymologische rariteiten en verwonderlijkheden nog altijd onverminderd is. Vanaf deze week zal ik dus weer elke maandag een nieuw artikel online zetten!

Als onderwerp voor het artikel van vandaag heb ik een toepasselijk spreekwoord gekozen, één waarvan men mijzelf het leeuwendeel van het afgelopen jaar zou hebben kunnen betichten; het drukken van de snor. Iemand die zijn (of, hoewel minder gebruikelijk, haar) snor drukt tracht zichzelf – in de breedste zin – aan het zicht te onttrekken. Dit kan betekenen dat de persoon in kwestie wegvlucht om niet gezien te worden, simpelweg niet komt opdragen teneinde datzelfde doel te bereiken, of zich op welke manier dan ook minder zichtbaar maakt, bijvoorbeeld door zich onopvallend te gedragen of zich te verschuilen.

Het spreekwoord komt uit een tijd dat het nog – zacht uitgedrukt – ongebruikelijk was voor een man om gladgeschoren door het leven te gaan, een tijd dat échte mannen herkend konden worden aan volle snorren en/of baarden. De gezichtsbeharing werd zelfs beschouwd als het meest opvallende onderdeel van de mannelijke gelaatstrekken. Het verbergen, of ‘wegdrukken’, hiervan was dan ook een manier om minder op te vallen.

Hoogstwaarschijnlijk is het spreekwoord dus ontstaan als beschrijving van de fysieke gedraging van mannen die hun hand voor de snor hielden in de hoop minder op te vallen. Vervolgens is het in steeds breder gebruik geraakt en is het ook gaan duiden op een breder palet aan mogelijkheden die men kan ondernemen om de aandacht te ontlopen of te ontwijken.

De vraag die na het onderzoeken van dit spreekwoord bij mij opkomt is of het in het geheel niet hebben van gezichtsbeharing mogelijk zorgt voor een permanent ‘snor-druk-effect’. Ofwel, zijn mannen zonder gezichtsbeharing – over het algemeen genomen – minder opvallend dan hun wildbegroeide seksegenoten? Misschien een leuk scriptieonderwerp voor een psychologie- of antropologiestudent 🙂

 

Op ’t nippertje

Knijpt u ‘m wel eens terwijl u op ’t nippertje in een nijpende situatie aan uw drankje nipt? Inderdaad een hele aparte vraag, één die ik alleen maar heb geformuleerd om de genoemde woorden bij elkaar in een zin te zetten. Wat namelijk misschien een betere vraag is, is of u wist dat al deze woorden (knijpen, nipper, nijpen, nippen) aan elkaar verwant zijn. Laten we echter beginnen met de vraag waar de uitdrukking ‘op ’t nippertje’ vandaan komt.

Als iets op ’t nippertje gebeurt houdt dit in dat het nét op tijd is, op het randje was, op het laatste moment geschiedde. Het was, anders gezegd, even knijpen. Het woord heeft een uitgebreide geschiedenis in de Nederlandse (en Friese) taal. Zo komt het voor als ‘op ’t nipperke’ in het Fries, ‘op het laatste nippertje’ wordt in bladen uit de 19e eeuw al gebezigd en het woord ‘nijpen’ in de betekenis van ‘erop aankomen’ is terug te voeren tot aan 1600 n. Chr.

’t Nippertje heeft waarschijnlijk een verband met het woord ‘nip’ als woord voor ‘rand’, waarmee het woord ‘nippen’ een veelgebruikt werkwoord werd om het nemen van kleine teugjes over de rand van het glas te omschrijven. Maar waar ‘nippen’ de richting op ging van een werkwoord voor drinken, namen ‘nijpen’ en ‘knijpen’ de route naar een betekenis die zoveel wilde zeggen als ‘benauwend, kwellend druk’, ofwel het verkeren in een situatie waarin op het randje gebalanceerd wordt.

Van ‘nijpend’ voor een op het randje balancerende situatie was het vervolgens geen al te grote stap naar ‘op den nijper af’ en uiteindelijk ‘op het nippertje’.

Bovenstaand is naar mijn mening een mooi voorbeeld van hoe woorden (en taal) kunnen evolueren. Op dit moment kan één woord, ‘nipt’, gebruikt worden als werkwoord – tweede persoon enkelvoud – voor het nemen van kleine teugjes, en daarnaast tevens als bijvoeglijk naamwoord voor een situatie op het randje (denk aan ‘een nipte overwinning’ als conclusie van een wedstrijd die erg spannend was).

Mocht u dit artikel lezen tijdens het drinken van – of nippen aan – een kopje koffie, lees dan vooral ook eens waarom dat ook wel een ‘bakkie pleur’ genoemd wordt.

 

Bakkie pleur

Zoals in het artikel van vorige week aangekondigd deze week een blog over koffie, een bakkie troost of leut, het zwarte goud. Ook wel een bakkie pleur genoemd. Vrijwel iedereen drinkt het wel eens, velen zelfs regelmatig. Maar waarom is het nu eigenlijk dat koffie deze aparte bijnaam heeft gekregen?

Etymologen zijn het helaas niet eens over de oorsprong. Zowel de geografische als inhoudelijke herkomst van het ‘bakkie pleur’ is onderwerp van discussie. Waar het gaat om de stad/regio waar de uitdrukking vandaan komt kunnen we kiezen, afhankelijk van naar welke bron gekeken wordt, tussen Den Haag, Rotterdam, en – opmerkelijk genoeg – Leiden. Deze discussie laat ik hier kortheidshalve achterwege – de geïnteresseerden kunnen uiteraard verder lezen bij de genoemde bronnen – en ik duik in plaats daarvan in de theorieën aangaande de inhoudelijke herkomst.

De naar mijn mening minst waarschijnlijke uitleg van de bijnaam vertelt het verhaal van koffie die ‘gepleurd’ wordt. Van de zakken met bonen, tot aan het kopje zwarte drab op de koffietafel, wordt het goedje gepleurd. En vandaar, zo wil deze uitleg ons doen geloven, noemen wij het een bakkie pleur.

Een andere, al enigszins geloofwaardiger uitleg, zoekt zijn heil in de herkomst van zovele woorden die wij tegenwoordig bezigen: de Franse taal. In wezen is de reden dat het een bakkie pleur wordt genoemd precies dezelfde als waarom koffie soms wordt aangeduid als een bakkie troost: na een lange dag of een zware nacht biedt een sloot cafeïne enige soelaas in wat soms toch wel een treurig leven kan lijken. Maar in plaats van het redelijk makkelijk de begrijpen ‘troost’, is ‘pleur’ in deze context afgeleid van het Franse ‘pleurer’ (voor de francofoben onder ons: pleurer betekent huilen).

Hoe mooi deze vorige uitleg ook moge zijn, ik zet mijn geld in op de uitleg die ik zowel het waarschijnlijkste als het leukste vind. Een uitleg die zich baseert op een mooi (oud)Hollands gebruik. In vroeger tijden, en tegenwoordig in sommige kringen nog steeds, is het zeer gebruikelijk om een kennis of vriend die op bezoek is een kopje koffie voor te schotelen wanneer het bezoek ten einde loopt. Voeg daarbij dat weggaan in bepaalde milieus synoniem is voor ‘oppleuren’, en het kopje koffie ontstaat als onuitgesproken gebaar om ‘op te pleuren’. Niet lang hoeft het dan te duren voordat deze combinatie is verworden tot een ‘bakkie en nou oppleuren’, ‘bakkie oppleuren’ en tenslotte ‘bakkie pleur’.

Bedenk uzelf de volgende keer wanneer u een gast een kopje koffie aanbied of u het presenteert als een bakkie troost, een bakkie pleur, of gewoon een kopje koffie.