Ergens geen doekjes om winden

Wanneer iemand ergens geen doekjes om windt wil dit zeggen dat diegene iets niet verbergt, zegt waar het op staat. In sommige gevallen kan het ook synoniem zijn voor met de deur in huis vallen of geen blad voor de mond nemen. Toen ik aan dit spreekwoord dacht, verwachte ik dat de betekenis algemeen bekend was en door menigeen met regelmaat werd gebruikt. Na navraag binnen mijn directe sociale omgeving bleken daar nog best een paar personen te zijn die niet van dit spreekwoord op de hoogte waren.

Maar zelfs onder diegenen die dit spreekwoord wel kennen, zullen zich weinigen bevinden die de herkomst van het spreekwoord kunnen vertellen. Dus waar komt dit spreekwoord vandaan? Waarom is het eigenlijk dat wij kleine stukjes stof nodig hebben om een recht-voor-zijn-raapmentaliteit te omschrijven?

Om die vraag te beantwoorden moeten we onszelf afvragen waarom men vroeger ergens (in de letterlijke zin van het woord) doekjes om zou winden, of binden. Meestal zal dit zijn gedaan om een wond af te dekken. En in dit afdekken schuilt het antwoord op de aan het einde van de vorige alinea geponeerde vragen; een persoon die ergens geen doekjes om windt verhult de wond niet maar laat de waarheid onaangetast aan de wereld zien.

Vraag u dus af, de volgende keer wanneer u zichzelf verwondt bij het schillen van een appeltje, “ben ik iemand die er doekjes om windt?”

De kaars brandt aan twee einden

Een mooi spreekwoord welke laatst in een reactie naar voren werd gebracht door degene die ook mijn eerste artikel op deze site heeft geïnspireerd; “de kaars brandt aan twee einden”. Het wordt ook wel gebruikt als “zijn/haar kaars brandt aan twee einden”. Ikzelf heb het spreekwoord nog nooit horen of zien gebruiken, maar met enig logisch nadenken was de betekenis nog wel te achterhalen. Na wat zoekwerk op het wereldwijde web werd dat vermoeden bevestigd: het spreekwoord duidt op een persoon die zo hard werkt, intensief bezig is, straalt, dat zijn of haar vlam snel zal zijn uitgedoofd. Dit laatste hoeft overigens niet de duiden op de levensvlam die uit gaat, maar zal meestal zien op een ineenstorting van de persoon, hetgeen in de huidige maatschappij meestal wordt aangeduid als een burn-out.

Hoewel het erg lastig is om een kaars aan twee einden te laten branden, waaruit ik concludeer dat dit spreekwoord ongetwijfeld niet uit een letterlijke situatie is ontstaan maar slechts een figuurlijke betekenis heeft, vind ik dit toch een erg mooi spreekwoord. Niet slechts omdat de analogie tussen mens en kaars een interessante vergelijking is met het oog op de vlam die leven geeft aan het object en meebrengt dat beiden een levensduur hebben, maar zeker ook omdat het spreekwoord nu meer dan ooit relevantie heeft.

De afgelopen jaren is er meer uitval en ziekteverzuim dan ooit door burn-outs. Ruim 14 procent van de werknemers in Nederland had in 2014 burn-outklachten (bron: CBS/TNO). Juist op een moment dat een op de zeven werkende mensen in Nederland ergens mee te kampen heeft, lijkt het mij dat er noodzaak is voor een gepaste wijze om zulks te benoemen of te omschrijven. Spreekwoorden als de onderhavige zijn daarin een belangrijk onderdeel. Misschien kan het inzichtelijk maken van het probleem door middel van een goede analogie wel helpen om mensen zich bewust te laten worden van hun situatie.

Denkt u dat een spreekwoord als deze, waarmee een naam aan het spreekwoordelijk beestje gegeven kan worden, nodig is in de huidige tijd van een steeds erger wordende burn-outepidemie, of werken spreekwoorden slechts de begrijpelijkheid van de gesproken taal tegen? Of doe ik nu de weldenkende lezer tekort door de drogreden van het vals dilemma te gebruiken? Geef vooral uw mening in de reacties!

Het leeuwendeel

Het leeuwendeel betekent zoveel als het grootste deel. In de spreektaal wordt dit spreekwoord tegenwoordig niet meer zoveel gebezigd, maar de meeste mensen zullen het wel eens hebben gehoord en zullen wel weten wat het betekent. Maar waarom valt van alle dieren nu juist de leeuw de eer toe om het grootste gedeelte ergens van toebedeeld te krijgen? Er zijn andere dieren die meer voedsel per dag eten dan de leeuw, en ook andere dieren die net zo hoog in de voedselketen staan. De verklaring voor dit spreekwoord moet dan ook niet gezocht worden in de logica, maar – wederom – in een sprookje. Een sprookje dat dit maal afkomstig is uit een bundel van verhalen opgetekend door de Romeinse Phaedrus, een dichter uit de 1e eeuw na Christus. Het fabeltje is hoogstwaarschijnlijk ontleend aan de Griekse dichter Aesopos, die enkele eeuwen voor de geboorte van Christus leefde.

Zoals veel sprookjes gaat ook dit sprookje over een groep dieren. Een leeuw, een koe, een geit en een kip gingen gezamenlijk op zoek naar eten. Het duurde niet al te lang voordat de leeuw een hert gevangen had. Maar toen de leeuw het eten in vier delen had gedeeld, pakte hij het eerste deel zelf, met de woorden “Ik neem het eerste deel, omdat ik leeuw heet”. De leeuw vervolgde: “Het tweede deel zullen jullie mij toedelen, omdat ik sterk ben. Dan omdat ik meer waard ben, zal mij het derde deel toekomen”. En onder de smachtende ogen van de andere dieren pakte hij ook het laatste deel met de woorden “en iemand zal iets ergs overkomen, als diegene het vierde deel aan zal raken.”

Zo kwam het, dat de leeuw zich alle delen had toegeëigend, en daarmee het spreekwoordelijke leeuwendeel had verkregen. In wezen bevat het spreekwoord dus een zekere negatieve connotatie; het grootste deel is onrechtmatig, althans onrechtvaardig verkregen. Deze betekenis is door de jaren echter blijkbaar verdwenen, zodat het tegenwoordig nog slechts het grootste deel betekent. Of dit te wijten is aan toeval of aan een steeds meer amorele maatschappij waarin het nemen van meer dan rechtvaardig is steeds veelvoorkomender wordt, of aan iets heel anders, laat ik aan de discussie in de reacties over.