Joost mag het weten

Iedereen heeft het wel eens gezegd of horen zeggen: “Joost mag het weten”. Een spreekwoord waarmee bedoeld wordt dat een vraag die zojuist is opgeworpen in het ongewisse is en naar alle waarschijnlijkheid ook zal blijven. Degene die het spreekwoord uitspreekt heeft het vinden van het antwoord op de vraag in ieder geval niet hoog op de prioriteitenlijst staan. Maar wie is deze alwetende Joost nu eigenlijk? Waarom is Joost, en niet Henk of Pieter degene die het voorrecht toevalt alle wijsheid in pacht te hebben?

Voor deze vraag moeten we heel wat jaren terug in de tijd. De naam Joost is namelijk een verbastering van ‘Joos(je)’, welke op zijn beurt waarschijnlijk weer afkomstig is van het woord ‘dejos’, van ‘deos’, het Portugese woord voor god. Wordt met Joost dan god bedoeld? Nee, voor de precieze betekenis achter de naam moeten we naar de tijd dat Nederland nog koloniën had.

In Nederlands-Indië werden door Chinezen kaarsen gebrand ter verering van de vorst van de hel, die door hen als een god aanbeden werd. Wouter Schouten (1780) schrijft hierover in zijn boek ‘Reistogt’: “Den Schepper vreezen zij niet, wijl van Hem alles goeds komt; maar de Duivel, dien zij gemeenlijk Joosje noemen, is, zeggen zij, een machtig en geweldig vorst (…).” Van deze Joosje stamt het huidige spreekwoord naar alle waarschijnlijkheid af. Met het bovengenoemde spreekwoord wordt dus in wezen gezegd dat de duivel het mag weten.

De herkomst van het spreekwoord, en wie nu precies wordt bedoeld met ‘Joost’, is nu in ieder geval duidelijk. De reden dat het nu juist de duivel is die alles mag weten laat ik een open vraag, waarbij ik u allen uitnodig om uw ideeën hierover in een reactie hieronder te kennen te geven.

Boontje komt om zijn loontje

In tegenstelling tot het eerder besproken spreekwoord “het hemd is nader dan de rok”, geloof ik  niet dat er veel Nederlanders zijn die niet weten wat een ander bedoelt wanneer het spreekwoord “boontje komt om zijn loontje” wordt gebruikt. Maar weten wat een ander bedoelt en het verhaal kennen dat achter het spreekwoord schuil gaat zijn natuurlijk twee heel verschillende dingen.

Zoals de meeste lezers zullen weten wordt met dit spreekwoord bedoeld dat in een bepaalde situatie  een onfortuinlijk voorval het verdiende loon is voor degene die het overkomt. Maar wat kan er nu zo erg zijn geweest? Wat kan een boontje hebben gedaan dat zo verwerpelijk is dat het de personificatie is geworden van verdiend ongeluk? Om die vraag te beantwoorden moeten we terug in de tijd, naar een tijd waarin sprookjes nog werkelijkheid waren en boontjes, net als strootjes, erwtjes en kooltjes, rondliepen als mensen.

Het verhaal zoals opgetekend door Jan Vos, en later de gebroeders Grimm, gaat over een bont reisgezelschap bestaande uit een Boontje, een Erwtje, een Strootje en een brandend Kooltje (Kooltjevuur).

Zoals bij elke reis kreeg ook dit reisgezelschap met een obstakel te maken. Na een lange dag op pad te zijn geweest kwamen ze bij een water, en er was geen brug te bekennen. Onbaatzuchtig als altijd bood Strootje aan als een brug over het water te gaan liggen zodat de anderen veilig konden oversteken. Eerst liep Erwtje over Strootje heen, en bereikte zonder problemen de overkant. Ook Boontje geraakte veilig en zonder kleerscheuren over het water. Maar toen Kooltjevuur halverwege was, vatte Strootje vlam en viel in het water samen met Kooltje, die onmiddellijk doofde.

Elke vriend en reisgezel zou uiteraard verschrikt en bedroefd zijn om een dergelijk tragisch voorval, maar Boontje, veilig op de kant, moest lachen. Zo hard lachte Boontje om het leed dat zijn reisgenoten was overkomen dat zijn buik erdoor openscheurde; zijn verdiende loon.

Sommigen van u twijfelen misschien nog wat nu dat “komt om” precies betekent. Daarover kan ik gelukkig redelijk kort zijn: “komt om” betekent ongeveer zoveel als “krijgt”. Hierbij kan gedacht worden aan het zinsdeel “komt om te halen”.

Boontje, met zijn nu opengescheurde buik, had erg veel geluk dat er een kleermaker nabij was die hem wilde helpen. De buik van Boontje werd door de kleermaker dichtgemaakt met een zwarte draad; de reden dat alle bruine bonen tot aan de dag van vandaag  een zwart naadje op hun buik hebben.

 

Zie hier het sprookje zoals geschreven door Jan Vos (“Ja ik (…) naers chadt”):

_20160620_091613

Het hemd is nader dan de rok

Een hemd, zouden er veel mensen zijn die dat tegenwoordig nog onder een rok dragen? Vroeger wel. Kennelijk zo veel dat er een spreekwoord op is gebaseerd. Want wat betekent dit – goeddeels in onbruik geraakte – spreekwoord eigenlijk?

Wat wilt u liever dat schoon is en lekker zit, een onderbroek of een overjas? Wat wast u vaker? Dit is de kern van het ontstaan van het hier ter bespreking voorliggende spreekwoord. Natuurlijk antwoordt u allemaal dat het kledingstuk het dichtst bij uw lijf de hoogste prioriteit heeft als het aankomt op schoonheid, hygiëne en comfort. Hetzelfde antwoordden de Nederlanders van vroeger tijden, tijden toen men nog rondliep in hemd en rok. Het hemd, nader aan het lijf, werd de personificatie van de belangen die dichtbij iemand stonden – de belangen van familie en vrienden – terwijl de rok, verder van het lijf, werd gebruikt als vattende term voor de belangen van anderen.

De situaties waarin het spreekwoord gebruikt wordt zijn overwegend negatief van aard. Veelal is het spreekwoord op zijn plaats wanneer woorden als ‘vriendjespolitiek’, ‘favoritisme’ of ‘nepotisme’ in het gesprek niet zouden misstaan; allemaal situaties waarin een belang dat dichterbij staat – onrechtmatig – wordt verkozen boven andere belangen.

Zou er een reden zijn dat het spreekwoord in onbruik is geraakt? Buiten het feit dat Oudhollandse spreekwoorden tegenwoordig over het algemeen steeds minder gebruikt worden, zou betoogd kunnen worden dat de familiebanden in de huidige samenleving een stuk minder hecht zijn. De daarmee gemoeide belangen zouden daarmee een stuk minder dichtbij staan dan een paar honderd jaar geleden.

Wat denkt u? Is het hierboven besproken spreekwoord tegenwoordig zo weinig te horen omdat er simpelweg minder behoefte is aan een gevatte manier om kenbaarheid te geven aan een verkeerde weging van belangen door een ander, of omdat men nu eenmaal geen rokken meer over hemden draagt?

Appels met peren vergelijken

Het welbekende Nederlandse spreekwoord “dat is als appels met peren vergelijken” wordt in het dagelijks leven te pas en te onpas gebruikt om een vergelijking van een ander – waarin twee zaken vergeleken worden – als loos argument van de hand te doen. Een blik op wat er met deze uitdrukking eigenlijk werkelijk wordt gezegd, doet al snel beseffen dat dit in wezen een groot compliment is voor de vergelijking in kwestie; appels en peren zijn heel erg goed om met elkaar te vergelijken!

Als we aannemen dat het vergelijken van bepaalde zaken goed is en thuishoort in een rationele discussie, kunnen we onszelf de vraag stellen wat twee zaken voor eigenschappen zouden moeten bezitten om goed met elkaar vergeleken te kunnen worden. Het is makkelijk voor te stellen dat het goed kan zijn om twee landen met elkaar te vergelijken om te beoordelen waar men beter met mensenrechten omgaat, twee cruesli-merken met elkaar te vergelijken om a.d.h.v. prijs en smaak te beoordelen welke beter is om te kopen, en om middels een vergelijking tussen de behoeften privacy en veiligheid tot een goed regulatoire balans te komen.

Voor het vergelijken van bepaalde zaken zal dus belangrijk zijn dat ze tot eenzelfde categorie behoren, en voor producten (bijvoorbeeld) dat ze in dezelfde behoefte voorzien. Appels en peren – welke beide behoren tot de categorie fruit en welke beide voorzien in de behoefte aan voeding (meer specifiek de behoefte aan een relatief gezond tussendoortje) – zijn dus bij uitstek twee zaken om met elkaar te vergelijken.
Praktisch elke vergelijking die tussen de twee te maken is, is relevant. Denk aan prijs, voedingswaarde, ziektebestendigheid, meeneembaarheid, beschikbaarheid, verhandelde hoeveelheid enzoverder. Elk van de verschillen tussen deze eigenschappen van de twee kunnen consumenten helpen een keuze te maken in de supermarkt, afnemers en aanbieders helpen (strategische) economische keuzes te maken, simpelweg relevante informatie verschaffen aan marktpartijen.

Het gaat fout wanneer twee zaken worden vergeleken die niet tot dezelfde categorie behoren, en die niet in dezelfde behoefte voorzien. Denk aan een vergelijking tussen appels en democratie, of een vergelijking tussen grammatica en peren. Nu zijn dit zulke buitengewoon verschillende, evident onvergelijkbare zaken, dat het in een discussie geen ontkrachting zal behoeven. Maar dat is nu juist mijn punt; de omstandigheid dat tussen twee zaken verschillen bestaan zorgt er niet voor dat ze niet vergeleken mogen worden, maar juist dat ze wel vergeleken kunnen worden – mits ze tot eenzelfde categorie behoren en eenzelfde nut/doel/behoeftevoorziening kennen. Dit betekent dat appels en peren, net als banken en sofa’s, aktetassen en schoudertassen, liefde en vriendschap, wiskunde en grammatica, heel goed zijn te vergelijken.

Wanneer in het vervolg de wens zich voordoet om de vergelijking van een ander te ontkrachten, grijp dan niet naar de hierboven besproken appels-en-peren, maar ga in op de eigenschappen van de twee vergeleken zaken die niet tot dezelfde categorie behoren of in dezelfde behoefte voorzien. Daarbij kun je dan desnoods nog gebruik maken van het welbekende spreekwoord, maar dan enigszins aangepast: “dat is als appels met democratie vergelijken”.